1

Capitole

14 dec, 2017 Onderdeel van paysages 

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

Zelfs mensen die alles wat modern is beaat de hemel in prijzen – want het is…. ja, modern – beseffen dat moderne dingen niet altijd bij elkaar passen. Opmerkelijk bijvoorbeeld, en tegelijk veelzeggend, hoe in de Franse TGV-treinen aan het gebruik van mobiele telefoons paal en perk wordt gesteld. Op de schuifdeuren van de wagons zijn stickers geplakt met daarop het plaatje van een slapende mobiel (“zzzzzzz”): de beltoon moet worden uitgeschakeld. Ook kom je bordjes tegen die zeggen dat voor geklets in de mobiel alleen de restauratiewagen mag worden gebruikt. Niemand die zich eraan stoort, maar toch – ergens zijn de reizigers er zich van bewust dat het niet past in gezelschap van lijfelijk aanwezige anderen een gesprek te voeren waar deze anderen niet aan mee kunnen doen maar dat ze wel aan moeten horen. Je sluit je van hen af, je geeft hen de facto te kennen dat je lak aan hen hebt, en bovendien verstoor je hun rust – het enige wat overblijft wanneer je door mensen nadrukkelijk wordt genegeerd. Ja, toppunt van onwellevendheid, of gewoon van onbeschoftheid. Nu is het natuurlijk zo dat je in de TGV’s niet meer gezellig met elkaar kunt converseren zoals dat nog kon in de oude TEE-treinen met hun ruime coupés voor acht personen, vier op de ene bank, vier op de bank er tegenover. In de TGV zit je weliswaar als sardienen in een blik op elkaar, maar dan met de ruggen naar elkaar toe. Dan wordt gekakel in mobiels natuurlijk des te irritanter, je kunt het niet door directe gesprekken overstemmen. Om maar te zeggen, ik mis die oude treinen. Ik mis de gezelligheid die tot zo’n kwart eeuw geleden het reizen met de trein kenmerkte. Ik weet het, wanneer ik dit zeg – durf te zeggen! – worden sommige mensen wit, of groen, of wat dan ook, van woede. Jij, die je vastklampt aan het verleden! Ik zeg: jullie overschreeuwen jezelf, jullie weten zelf ook heel goed dat veel dingen vroeger beter waren dan nu, maar jullie willen het niet waar hebben. Nostalgie is een gezonde tegenhanger van kunstmatig opgeschroefde liefde voor wat modèèèrn is, alleen maar omdat het modèèèrn is. Lees verder »

Siberië

10 dec, 2017 Onderdeel van paysages 

Column door Anneloes Timmerije

De Berry is een onbekende streek. Zelfs hardcore francofielen komen soms niet verder dan ‘eh…’. Tot de Franse revolutie was de Berry een provincie, daarna golden er andere wetten en andere verdelingen. De naam is blijven bestaan en geeft de grenzen aan van het Ancien Régime. In het noordelijke deel ligt het departement Cher – ruwweg tussen Bourges en Nevers, in de regio Centre. De naam is treffend gekozen: centraler kun je bijna niet zitten in Frankrijk. Zou je het land tekenen als een vierkant, dan kun je precies middenin de plek prikken waar wij ons huis kochten, nou ja, bijna precies in het midden. Want het midden is niet alleen in politieke zin een rekbaar begrip. Hier in de buurt zijn er minstens twee dorpen die zich tooien met het predicaat ‘Le point central de la France’: Saint-Amand-Montrond en, zeven kilometer noordelijker, Bruère-Allichamps. Kwestie van meten. Lees verder »

Gezicht op Châtel-Censoir

5 dec, 2017 Onderdeel van poésies 

Paul Gellings is dichter, schrijver en vertaler. Bij Arbeiderspers kwamen enkele van zijn gedichtenbundels uit. Zijn romans zijn onder andere Witte paarden (De Geus, 2001), De zomer van Icarus (Passage, 2010), Verbrande schepen (Passage, 2011) en Augustusland (Passage, 2013). In 2014 is van hem een roman in het Frans in het licht gebracht: Amsterdam Quartier Sud (Ed. Pierre Guillaume de Roux), en twee jaar geleden verscheen de roman De jacht op de klaproos. Dit jaar kwam een bundel korte verhalen uit: Zondagavondbuurt. Paul Gellings is door het Franse ministerie van Cultuur onderscheiden voor de manier waarop hij al sinds bijna veertig jaar de Franse taal en cultuur onder de aandacht brengt. Het gedicht dat volgt is nieuw. Lees verder »

Chapelle St Michel

28 nov, 2017 Onderdeel van paysages 

Column door Caspar Visser ’t Hooft

In het zuidelijke deel van de Franse Alpen stort onstuimig water vanaf 2400 meter hoogte neerwaarts, om pas tot rust te komen, breed zich uitspreidend, te midden van de lavendelvelden en de olijfgaarden van de Provence. Maar – ja, tot dan gedraagt hij zich als een grillige, verwoestende draak. Ik heb het over de Durance. Hoe vaak is het niet voorgekomen dat deze rivier, plotseling aanzwellend na stortbuien, of door het smelten van sneeuw, buiten zijn oevers spoelde om dan telkens weer de bevolking van het dal de stuipen op het lijf te jagen? Akkers kwamen onder water te staan, dieren verdronken, ook mensen, de draak likte soms met zijn vochtige tong over de staten en steegjes van de hogerop gelegen dorpen, waardoor kelders volliepen, en soms zelfs gebouwen instortten. Om aan deze dreiging paal en perk te stellen werd in het jaar 1955 voorbij het stadje Embrun, richting Gap, een dam gebouwd. Zo ontstond wat thans het grootste stuwmeer van Europa is, het meer van Serre-Ponçon. Wel moesten drie laaggelegen dorpen eraan geloven, de resten bevinden zich nu op de bodem van het meer. Een enkel bouwwerk werd gespaard, het stond op een rots-bult, en het topje van deze bult bleek net iets hoger dan het watervlak van het nieuwbakken meer, zelfs wanneer hij zijn hoogste stand bereikt. Het ligt nu op een eilandje, enkele tientallen meters van de oever vandaan. Ik heb het over een oude kapel – een kapel gewijd aan de aartsengel Michael. Grappig wanneer je bedenkt dat de heilige Michael vanouds werd beschouwd als de bestrijder van de duivelse Draak. Nee, het water van de woeste Durance heeft hem niet geschaad. Lees verder »

Heren en horigen

15 nov, 2017 Onderdeel van politiques 

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

Staan ze op instorten, die oude huizen en andersoortige bouwsels? Ach, laat maar. Als er geen dringende reden voor is, waarom weg ermee? Dat is Frankrijk. Bij ons is gebrek aan ruimte een dringende renden, in Frankrijk niet. Ik moet iemand ophalen in een groot supermarktencomplex in de Parijse regio. Ik zit in de auto, op een uitgestrekte, vaal verlichte parking die steeds leger wordt omdat het sluitingsuur nadert. Voor me de gigantische winkelkeet van Auchan. Een tiental meters rechts van me, daar waar het asfalt overgaat in vaag terrein, staat een hoog, sierlijk en vooral roestig hek. Bovenop het krullende smeedwerk een kroontje. Op de stenen posten ervan graffiti. Net als op de stalen container ernaast. Achter het hek een kaal boompje met in de takken flarden van plastic verpakking. Het soort hek dat normaal gesproken toegang geeft tot de oprijlaan van een kasteel. Waar is het kasteel gebleven? Stond het vroeger op wat nu deze parking is? Ik denk: ja, typisch Frans, dat hek dat nergens meer op slaat. En dan zie ik mensen door een zijdeur van de keet naar buiten drommen. Geen klanten – nee, personeel. Ze zien er vermoeid uit. Bij mij komt als vanzelf de volgende gedachte boven: in vroeger tijden leefde hier, in zijn kasteel, een baron, omringd door zijn horigen, ziehier de nieuwe horigen, overgeleverd aan de ‘baronnen’ van nu. Lees verder »