1

Waar boeken zijn…

18 apr, 2026 Onderdeel van paysages 

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

In mijn mooiste herinneringen komen meer dan eens boekhandels voor. Dit maak ik daaruit op dat sommige van mijn lievelingsboeken me als vanzelf doen terugdenken aan de plaats waar ik ze heb aangeschaft. Het is zelfs zo dat in mijn verbeelding deze plaats zich vermengt met de atmosfeer die de auteur in zijn boek heeft willen oproepen. Zo had je in de Vogezen, tussen Lunéville en St Dié, een dorp dat haast alleen uit tweedehands-boekhandels bestond. Een rommelig Lotharings dorp met brede, slecht verzorgde straten en pleinen en met grote, tot diep naar achter lopende boerderijen. Alles nogal vuil en ongeverfd. In deze boerenhuizen woonden geen boerengezinnen meer met hun koeien, varkens en kippen (al was een sterke mestgeur wel blijven hangen), oudere hippies met baarden en op sandalen hadden er hun kasten en dozen vol oude boeken in ondergebracht. Het dorp heet Fontenoy-la-Joûte. In de jaren dat ik in Nancy woonde was dit dorp voor mij de vaste bestemming van menig uitstapje. Bij een van deze oudere ‘baba cools’ heb ik een beduimelde pocket op de kop getikt die vervolgens een grote lieveling werd. Ik heb het over De witte garde van Mikhaël Boulgakov – in de Franse vertaling La garde blanche. Het winterse Kiev dat erin wordt beschreven is er gaan uitzien als dat sombere Lotharingse dorp, gelegen aan de voet van de donkere, een beetje dreigende Vogezen, en – omgekeerd – wanneer ik me het dorp voor de geest roep, dan blijkt het een buitenwijk te zijn van een grote stad in de grimmige jaren van de Russische burgeroorlog.   

Lees verder »

Bardot

26 mrt, 2026 Onderdeel van proses 

Column door Caspar Visser ’t Hooft

Ze was politiek incorrect, ze was tegen massa-immigratie, voor haar was een man een man en een vrouw een vrouw – voor eens en altijd, klaar. Poetin was in haar ogen geen monster, ze had zich niet tegen Corona laten inenten, ze had een hekel aan Macron. Dit laatste begrijp ik volkomen, over de rest laat ik me niet uit, want hoe genuanceerd je je ook over die zaken uitspreekt, er is altijd wel iemand die over een woord of zelfs maar een komma in je betoog struikelt – de persoon had er als een middeleeuwse inquisiteur, een Torquemada, op zitten wachten, nu kan de persoon eindelijk ‘dat kun je niet zeggen’ zeggen, bits en met een zuinig mondje. En toch, iedereen hield van haar. Omdat ze zo mooi was, omdat ze het vrolijke, zwierige Frankrijk belichaamde en ja – ook omdat ze zich zo weinig van het gekijf van moraliserende scheelkijkers aantrok. En omdat ze van dieren hield…

Lees verder »

Vorstelijke Vogezen

6 mrt, 2026 Onderdeel van proses 

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

Wanneer ik door de Vogezen rondtoerde, daar naar wandelplekken zocht om mijn hond uit te laten, en zelf flink de benen te strekken, dan was ik in een stukje Duits gebied dat Duitser is dan Duitsland zelf. De aanduiding Duits heeft eigenlijk maar weinig te maken met Duitsland – dat wil zeggen met het Duitsland van de Federale Republiek van Willy Brandt en Helmut Kohl, van de  Autobahnen en de Mercedessen met dikke zakenlui erin, van de saaie stadswijken van het Wirtschaftswunder, van Derrick en Tatort. Nee, Duitsland, dat zijn Wälder, dat zijn heuvels met donkere, meeglooiende sparrenmassa’s (Tannenbaüme). In de dorpen hebben de huizen hoge puntdaken, gevels vol vakwerk en met voor de ruiten felrode geraniums. Ze omzomen pleintjes met in het midden een stenen waterput. De kroegen heten Krone of Zum Bähren. Enzovoort. En ga je dan van het ene dorp naar het andere, dan is de kans groot dat je op een douanepost stuit, omdat het ene dorp bij dit prinsdommetje hoort en het andere bij dat minuscule maar daarom niet minder soevereine graafschap. Tot de Franse revolutie was het noordelijke deel van de Elzas, met het aangrenzende Vogezenlandschap erbij, een lappendeken van vorstendommetjes: Hanau-Lichtenberg, Leiningen-Dagsburg, Salm, Nassau-Saarwerden… Ja, nu is het allemaal Frankrijk, maar wanneer ik daar rondtoer, dan waan ik me zo’n regerende prins of graaf van niet meer dan een paar heuvels waar het naar dennenhars geurt, en naar wild – maar dat ruikt alleen mijn hond – en van een paar dorpen en van een lustslot in de trant van Versailles, maar dan tien maal kleiner.

Lees verder »

Pleurants in Dijon

14 feb, 2026 Onderdeel van poésies 

Ineke Holzhaus brengt een groot deel van het jaar door in de Berry. Ze is schrijver en theatermaker, acteerde, schreef en regisseerde bij diverse theatergezelschappen, maakte hoorspel voor radio en de HoorSpelFabriek en publiceert gedichten. In 2008 debuteerde ze met de dichtbundel Hond in Pompeï. In 2011 verscheen de bundel Waar je was, en in 2015 Bovengronds. Haar bundel Blijven en weggaan kwam in december 2016 uit. De cyclus De tuin van Nolde die daarin voorkomt werd bekroond met de Hofvijverpoëzieprijs. In oktober 2018 verscheen bij Ambo/Anthos haar eerste roman: Geef mijn vader. Het onderstaande gedicht, dat Ineke me toestuurde, komt voor in de bundel Twee cycli, uitgegeven bij Kwakman&Smet Uitgevers.

Lees verder »

Duizend kamers

9 feb, 2026 Onderdeel van proses 

Column door Caspar Visser ’t Hooft

De file begon vijftien kilometers ten noorden van Limoges. Het was hartje winter. Om half zes ’s avonds is het dan al nacht. Aan weerszijden van de weg – de A20 – hadden verschillende nuances zwart elkaar afgewisseld, bossen, hellingen, een gebouw, een schuur… Alleen de sneeuw gaf een schimmig licht af – wat je maar terloops merkte, gehinderd als je werd door de koplampen van de tegenliggers. En door de achterlichten van de auto voor me die plotseling op rood sprongen. Remmen! Dat wil zeggen voorzichtig remmen – derde versnelling, tweede, eerste – we staan stil… Ik kijk in mijn achteruitspiegeltje – ja, ook mijn achterligger is gestopt. En ’t is bizar, die stilte. Of nee, er is nog steeds het doffe geluid van de tegenliggers op de andere rijbaan. Die rijden gewoon door, vol leedvermaak, haha! Waar ben ik? Aan mijn rechterhand, even verderop, een zwarte bosrand. Links, voorbij het tegemoetkomend verkeer, boven een rotsige verhoging in het land, een muur. Ik kan het einde ervan niet ontwaren, ook de bovenkant niet. Alleen de onderkant baadt in het schijnsel van de autolampen. De muur is zo-te-zien oud, opgetrokken uit natuursteen. Een blinde muur? Nee, er is één raampje in uitgespaard, in de hoogte, daar waar het zwart het overneemt van het vale schijnsel. ’t Is dat erachter een lichtje brandt. Een lichtje als van een kaars, een lichtje dat beweegt, dansende schaduwen…

Lees verder »