Vorstelijke Vogezen
6 mrt, 2026 Onderdeel van prosesColumn door Caspar Visser ‘t Hooft
Wanneer ik door de Vogezen rondtoerde, daar naar wandelplekken zocht om mijn hond uit te laten, en zelf flink de benen te strekken, dan was ik in een stukje Duits gebied dat Duitser is dan Duitsland zelf. De aanduiding Duits heeft eigenlijk maar weinig te maken met Duitsland – dat wil zeggen met het Duitsland van de Federale Republiek van Willy Brandt en Helmut Kohl, van de Autobahnen en de Mercedessen met dikke zakenlui erin, van de saaie stadswijken van het Wirtschaftswunder, van Derrick en Tatort. Nee, Duitsland, dat zijn Wälder, dat zijn heuvels met donkere, meeglooiende sparrenmassa’s (Tannenbaüme). In de dorpen hebben de huizen hoge puntdaken, gevels vol vakwerk en met voor de ruiten felrode geraniums. Ze omzomen pleintjes met in het midden een stenen waterput. De kroegen heten Krone of Zum Bähren. Enzovoort. En ga je dan van het ene dorp naar het andere, dan is de kans groot dat je op een douanepost stuit, omdat het ene dorp bij dit prinsdommetje hoort en het andere bij dat minuscule maar daarom niet minder soevereine graafschap. Tot de Franse revolutie was het noordelijke deel van de Elzas, met het aangrenzende Vogezenlandschap erbij, een lappendeken van vorstendommetjes: Hanau-Lichtenberg, Leiningen-Dagsburg, Salm, Nassau-Saarwerden… Ja, nu is het allemaal Frankrijk, maar wanneer ik daar rondtoer, dan waan ik me zo’n regerende prins of graaf van niet meer dan een paar heuvels waar het naar dennenhars geurt, en naar wild – maar dat ruikt alleen mijn hond – en van een paar dorpen en van een lustslot in de trant van Versailles, maar dan tien maal kleiner.
De blauwe lijn
Ik kom van de andere kant, de Lotharingen-kant. Voor me strekt zich wijd de blauwe lijn uit (de ligne bleu – zeggen de Fransen) van de Vogezen. Ze naderen. De namen van de dorpen die ik passeer zijn om te beginnen nog goed Frans: Réchicourt, Blâmont, Cirey, St Quirin… De blauwe lijn heeft me intussen overhuifd. De weg loopt onder de kap van hoge sparrenspitsen. Wanneer de stammen weer even wijken – kijk, een dal met een beek, en een dorp – op het naambordje lees ik Xouaxange. Raar mengsel van Frans en Duits, oorspronkelijk Schweixingen – dus Duits. En dan Hesse, en Abreschviller, en Walscheid, en Lutzelbourg, en Dabo…
Vorstendommen
Dabo is eigenlijk Dagsburg. Ik zet mijn auto langs de weg, stap eruit – mijn hond springt eruit – en loop naar het begin van een houthakkerspad. Een mooie wandeling. Zo nu en dan laten de dennen doorkijkjes vrij op de rots van Dabo. Daar stond vroeger het kasteel van de prinsen van Leiningen. Op last van Lodewijk XIV is het afgebroken, nu staat er alleen nog een kapel. Gelukkig heeft diezelfde koning naderhand, bij het tekenen van een of ander vredesverdrag, het prinsdommetje aan de Leiningens terug moeten geven, zodat ik er nu aanspraak op maak. Ja, zeker!… Goed, als de verre neef van de andere tak uiteindelijk het prinsdom erft, en niet ik, laat me dan een andere prins zijn, een prins van Salm. Want dit keer loop ik door de bossen boven het stuwmeer van de Pierre Percée. Op een rots – altijd een rots! – de laatste resten van een middeleeuwse toren. Dat is het stamslot van mijn familie ! – denk ik trots. Zo oud… En dan denk ik vol genoegen aan de maaltijd die mij te wachten staat in de residentie van Senones, de hoofstad van mijn vorstendommetje, wanneer ik straks moe en hongerig beneden kom. In het stadje maken de mensen een buiging, waarbij ik ze goedmoedig toeknik en bij de naam noem. Als ze me aan zien komen gaan de twee lakeien die voor de paleispoort de wacht houden keurig in het gelid staan… Of nee, ik bedenk me, ik ben geen prins van Salm, ik ben een graaf van Hanau-Lichtenberg. Ditmaal wandel ik door het uitgestrekte bos van de Petite Pierre. Beneden in de vlakte ligt het oord Bouxwiller (oftewel Buchsweiler). Ook daar een klein paleis, in classicistische stijl. Straks komt mijn buurman en neef, de graaf van Nassau-Ottweiler op bezoek, een paar dagen logeren met zijn uitgebreide gezin. Eerst doen we plechtig, ontvangst met de nodige staatsie, trompetgeschal wanneer de koets en het gevolg het voorplein op komen ratelen, lakijen die aandraven, hofpersoneel dat buigingen maakt. We lopen erbij zoals we ons graag laten portretteren. Pruiken, zijden stoffen en brokaat, degens opzij… Maar al gauw laten we al dat ceremonieel varen. We zijn maar princes mineurs – zoals ze zeggen aan het arrogante Franse hof. En gelukkig maar, het maakt dat we dicht bij de mensen staan. Eenvoudig, aartsvaderlijk, zo zijn we geliefd, zo houden ze van ons. Na de maaltijd muziek, onze Hofkapellmeister heeft beloofd een paar menueten ten gehore te geven, onlangs gecomponeerd door de grote Haydn. Dan gaan de jonge prinsen en gravinnetjes dansen, en de ouderen misschien ook. En daarna mogen ook de gedienstigen meedoen. En de honden mogen blijven toezien, nadat ze in een hoek de resten van het maal hebben verorberd…
Alleen mijn hond kan zich niet koest houden, dat is omdat ik hem niet goed heb opgevoed. Maar dat geeft niet, iedereen moet vrolijk lachen.






