17 mei, 2017 Onderdeel van proses
Column door Caspar Visser ’t Hooft
Nederlanders spreken alle talen – zegt de Franse kennis die een stukje met me meeloopt, van het metrostation St Sulpice tot nummer zoveel van de rue d’Assas, waar hij een afspraak heeft. We liepen elkaar tegen het lijf toen we uit de ondergrondse trein stapten, we hadden in verschillende wagons gezeten. Boven werden we opgewacht door een chanson van Jacques Brel: Quand on a que l’amour A s’offrir en partage Au jour du grand voyage… Bij de trap, op het trottoir, staat een jongen van een jaar of achttien met een gitaar, en met voor hem, op de grond een plastic bekertje vol munten. Half lang blond haar, blauwe ogen. Ik herkende het Nederlandse accent, wat ik mijn kennis meedeelde. Ze ‘bedruipen’ zich in alle talen – is mijn antwoord. Bescheidenheid is gepast. Wat niet wegneemt dat Nederland zo zijn talenwonderen heeft gehad (en misschien nog steeds heeft). Diezelfde middag word ik met zo’n specimen geconfronteerd. In een van de antiquarische boekwinkeltjes in de buurt van de Jardin du Luxembourg – mijn bestemming van die middag – stuit ik op een exemplaar van de Poésies françoises van H. Piccardt. Een mooi leren bandje, een bruinig kaft, veel te duur. In de inleiding wordt een en ander over de schrijver uit de doeken gedaan. Ik lees: Ce qu’il y a de plus prodigieux, c’est qu’il n’y a que sept à huit mois, il avait toutes les peines du monde à s’exprimer en prose, et encore très peu françoise (‘Het meest opmerkelijke is dat hij zeven à acht maanden geleden nog alle moeite had om zich in het Frans uit te drukken, zelfs in gewoon proza’). H. Piccardt was een Groninger. Lees verder »