Nagemaakt lijk
1 okt, 2021 Onderdeel van prosesColumn door Caspar Visser ’t Hooft
In het verleden hebben zich talloze Fransen in Nederland gevestigd. Dat weten we uit de geschiedenisboekjes, het valt ook af te leiden uit de veelheid francofone achternamen die we in de telefoongids aantreffen. De grootste immigratiegolf dateert van de laatste jaren van de zeventiende eeuw. Nadat in 1685 het Edict van Nantes – het verdrag dat de Franse protestanten vrijheid van godsdienstoefening toekende – werd herroepen, zochten ongeveer veertigduizend hugenoten in ons land hun toevlucht. Dat was veel voor die tijd. Het omgekeerde kwam minder vaak voor. Over Nederlanders die in Frankrijk neerstreken is weinig bekend. Hugo de Groot heeft een tijdlang als balling in Parijs gewoond, maar ballingschap is iets anders dan permante vestiging. In de mémoires van de hertog van Saint-Simon komen haast geen Nederlanders voor. De mémoires tellen meer dan drieduizend pagina’s, deze pagina’s bevatten minstens evenzoveel namen – namen van de fine fleur van het koninkrijk van Lodewijk IV – ik kom er slechts één Nederlander in tegen. Een Nederlander, althans, voor wie Frankrijk een tweede vaderland werd. De paar ambassadeurs van de Republiek die de hertog-schrijver noemt – Van Heemskerck, Bentinck, Buys – laat ik buiten beschouwing. Hun verblijf was maar tijdelijk. Nee, één Hollander, en aan deze Hollander wijdt Saint-Simon een paar interessante zinnen. De mémoires van Saint-Simon zijn niet alleen een allesomvattende kroniek van het tijdperk van de zonnekoning, ze behoren ook tot de hoogtepunten van de Franse literatuur. Toen die Hollander, die hij evoceert, stierf, werd zijn stoffelijk overschot in alle haast begraven – maar… was het wel zijn stoffelijk overschot? Misschien ging het om een nagemaakt lijk? Saint-Simon heeft het over een bûche, dat wil zeggen een stuk hout.
Lees verder »





