Mijn naam
17 jan, 2024 Onderdeel van penséesColumn door Caspar Visser ’t Hooft
Al meer dan drie-en-dertig jaar woon ik in Frankrijk en nog steeds krommen bij mij de tenen wanneer Fransen mijn naam uitspreken: Vissèèretoeft – Vissèretèèhoeft – Wissèretehoef… Afschuwelijk, dat toeft! En nog erger, dat Vissère, omdat het net zo klinkt als het Franse woord voor ingewanden, ‘viscères’. Ik ben dus Meneer Ingewanden-Toeft. Niemand die zo snel-snel-snel met zijn voornaam voor den dag komt als ik: Noem mij maar Gaspard. En dan een grapje (om losjes te doen, terwijl ik het niet ben): Van mijn achternaam krijgen jullie alleen maar last van je keel, het is voor jullie, Fransen, niet uit te spreken. Gelukkig gaat in Frankrijk het noemen van de voornaam niet als vanzelfsprekend met het tutoiement gepaard. Want daar ben ik niet van gediend. Ik blijf ‘u’, ook in mijn hoedanigheid van Gaspard. Dit Gaspard is trouwens het enige lichtpuntje in deze misère. Aan deze Franse versie van mijn voornaam heb ik altijd een voorkeur gehad. Hier ligt héél oud zeer aan ten grondslag. Toen we in de eerste klas van de lagere school voor het eerst het alfabet moesten kunnen opzeggen, hielden mijn klasgenootjes bij hoog en laag vol dat ik eigenlijk Saspar heet. Waarom? Omdat je de ‘c’ als een ‘s’ uitspreekt. Ik volhouden: Nee, het is Kaspar, ook al schrijf je het met een ‘c’. Tevergeefs. Bestaat er zoiets als een naamcomplex?
Lees verder »






