De laatste Egmond
15 jun, 2026 Onderdeel van prosesColumn door Caspar Visser ‘t Hooft
We kennen elkaar nu al langer dan dertig jaar, de familie de L. en ik. Ik moet denken aan de eerste keer dat ik een borrel kwam drinken bij Jean-Hugues, de oudste zoon van Madame de L. Hij woont in een bijgebouw van het negentiende-eeuwse landhuis. Le pavillon wordt het genoemd. Jean-Hugues had voor zichzelf de eerste verdieping ingericht, typisch het onderkomen van een liefhebber van bergsport. Als het maar even kon, trok hij erop uit in de Pyreneeën, waarvan hij alle toppen had gedaan, en die voor hem geen geheimen meer hadden. Zijn passie was visvangen in bergbeken. Zijn flat – want zo mogen we het noemen – stond vol met visgerei, naast allerlei soortig bergbeklimmersmateriaal en voorts massa’s relieken: bijzondere stenen, gedroogde planten, gedroogde vissen… Toch was dat niet het enige wat je bij hem aantrof. Want er waren ook een paar stukken antiek bij waarvan het aspect mij als nogal vertrouwd voorkwam. “Herken je dit niet?” – vroeg Jean-Hugues. Hij wees me op een kussenkast op bollen poten, op een somber genrestuk in de stijl van Gerard Dou. “Ja…,” zei ik aarzelend. “Hollands!” verklaarde hij. “Ja,” zei ik, ditmaal vol overtuiging. En tegelijk verbaasd. Hoe kwam dat hier, bij de familie de L.? Zo helemaal aan de andere kant van Frankrijk, in het voorgebergte van de Pyreneeën? “Uit mijn familie, door een huwelijk met een Egmond.” Even terloops gezegd – waarna Jean-Hugues weer over een bergtocht begon. Ik raakte daarbij achterop, want dat ‘Egmond’ deed me dralen. Het had indruk op me gemaakt.
Illuster geslacht
Het valt niet te betwisten, de Egmonds zijn het meest illustere geslacht dat Nederland heeft voortgebracht. De heren van Egmond begonnen als voogden van de prestigieuze abdij van Egmond – prestigieus omdat de graven en gravinnen van Holland er werden begraven. Ze woonden op het nabijgelegen kasteel ‘op de hoef’ en in loop der jaren breidde hun macht zich uit. In de vijftiende eeuw splitste het geslacht zich in twee takken op, die van de hertogen van Gelre en die van de graven van Egmond. Het hertogdom Gelre werd verkregen door een strategisch huwelijk: Jan II van Egmond trouwde met Maria van Arkel, die via haar moeder afstamde van de Wassenbergs, de oorspronkelijke landsheren van Gelre. De tak Egmond-Gelre stierf uit in 1538 toen de laatste hertog van Gelre, Karel, het tijdelijke met het eeuwige verwisselde. De zijtak van de graven van Egmond bleef nog een tijdlang bloeien en is vooral bekend vanwege twee spruiten: Anna van Buren, de eerste vrouw van Willem van Oranje, en Lamoraal van Egmond, die in 1568, samen met de graaf van Hoorne in Brussel, op last van Philips II, werd onthoofd. “Dag prins zonder land,” had hij tegen zijn strijdmakker Oranje gezegd, toen deze wijselijk besloot de wijk te nemen. “Dag graaf zonder hoofd” – was het antwoord. Bekend uit de geschiedenisboekjes!
Procopius Frans van Egmond
Ik wil graag weten hoe de dingen precies ‘zitten’. Jean-Hugues had er duidelijk geen zin in om verder over zijn familie uit te wijden. En dat was niet alleen uit gebrek aan interesse, dat was ook – zo vermoed ik althans – uit bescheidenheid. Wanneer je uit een oudadellijke familie stamt, dan kom je zo gauw als een opschepper over wanneer over je voorouders begint. Ik moest daarom zelf de puzzelstukjes bij elkaar zien te passen – puzzelstukjes in de vorm van flarden van opmerkingen van Madame de L., van Marie-Jeanne, van Jean-Hugues. En zo kwam ik na jaren tenslotte het fijne van de zaak te weten. De laatste mannelijke Egmond was Procopius Frans, hij leefde van 1664 tot 1707. Omdat de familie aan het Rooms-katholieke geloof had vastgehouden, hadden de nazaten van de graaf-zonder-hoofd zich na de bevrijding van Holland in de Zuidelijke, Spaanse Nederlanden teruggetrokken. Ze genoten er aanzien, maar prominente figuren brachten ze niet meer voort. Procopius Frans was de achter-achterkleinzoon van Lamoraal, hij was kapitein-generaal bij de cavalerie, in dienst van respectievelijk de koningen van Spanje en Frankrijk. Zijn vrouw was Louise de Cosnac, een nicht van de aartsbisschop van Aix. Het echtpaar had geen kinderen. Er was een tijd dat bij het sterven van de laatste telg van een oud geslacht het schild met daarop het blazoen van dat geslacht werd stukgeslagen. Zou dat ook bij de dood van Procopius Frans zijn gebeurd? De laatste die in directe, mannelijke lijn afstamde van de bouwer van het kasteel ‘op de hoef’ in onze Kennemer duinen…
En toen?
En toen kreeg je de erfkwestie. Procopius Frans had een zuster, Marie-Claire, die getrouwd was met een Napolitaanse edelman, Nicolo Pignatelli, hertog van Bisaccia. Het grootste deel van de Egmond-goederen ging op hen beiden en hun nageslacht over. Ze noemden zich trouwens graaf Pignatelli d’Egmont. En Louise, de weduwe van Procopius Frans? Zij kreeg ook wat spullen toebedeeld, en omdat zij geen kinderen had, kwamen deze spullen na haar dood in het bezit van haar eigen familie, de familie de Cosnac. En daar stamt in rechte lijn Jean-Hugues de L. weer van af. Anders gezegd, hij stamt niet af van de Egmonds, maar van een broer van de weduwe van de laatste Egmond. Volgen jullie me? Ja – zo ‘zat’ het.
Is dit alles belangrijk? Wat is belangrijk? Mijn nieuwsgierigheid was in ieder geval beloond. Van Jean-Hugues kreeg ik verder niets meer over zijn voorgeslacht los. Daar heb je het niet over. Of je bent op de hoogte, of je bent het niet. Wel liet hij me op een goede dag een prachtig ingebonden boek met kleurenprenten zien. Afbeeldingen van de verschillende kostuums die in de tijd van het ancien régime door de geestelijken werden gedragen – verschillend al naar gelang hun rang in de kerkelijke hiërarchie of de orde waartoe ze behoorden. Het boek dateerde uit het begin van de achttiende eeuw, een eerste editie. Het was een erfstuk afkomstig uit de bibliotheek van de aartsbisschop van Aix. Prachtig! Jean-Hugues heeft het boek intussen aan een museum afgestaan.






