Vitebsk
29 nov, 2025 Onderdeel van penséesColumn door Caspar Visser ’t Hooft
Maandag, dinsdag, woensdag… Maandag bracht ik met vrienden een bezoek aan het Chagall-museum in Nice. Dinsdag waren we in St Paul de Vence waar Chagall, in het schilderachtige kerkhof, begraven ligt. Woensdag was het eerste wat ik van Parijs zag, toen ik uit de metro kwam, de Opera Garnier waarvan Chagall het plafond heeft geschilderd. Niet dat ik het kon bewonderen, ik bleef buiten staan, in de drukte, in de kille druilerigheid. Maar toch, om nu net dààr boven de grond te komen, na als een mol in het onderaardse te hebben rondgewaard. Een vingerwijzing? Een stille wenk: schrijf iets over hem, over Chagall, over de gedachte die je niet heeft losgelaten sinds je zijn tableaus in het museum van Nice contempleerde. Over nostalgie en herinnering – herinnering aan beelden en verhalen die de dimensies van tijd en ruimte overstijgen, herinnering aan wat daarom even goed naar toekomst als naar verleden wijst…
Land van oorsprong
‘Ik schilder koeien, geiten en hanen, ik schilder dorpen en stadjes zoals ze bestonden in het oude Rusland. Het zijn voor mij bronnen van vormgeving (sources de formes), om de simpele reden dat ze vast bestanddeel zijn van mijn land van herkomst. Die dingen hebben zonder enige twijfel een dieper stempel gedrukt op mijn visuele herinnering dan al het andere dat ik heb mogen ontvangen’. Dit schreef Marc Chagall op oudere leeftijd. En ja, kijk eens goed naar zijn schilderijen – je komt er niet één tegen waar niet ergens, soms alleen maar in een hoekje, de leefwereld van zijn jeugd is afgebeeld. Een rommelig buurtje met houten huizen aan de rand van Wit-Russische provinciestad, een Joodse schtetl. Grimmig duister alom, sneeuw op de daken, hier een koe in een stal, daar een haan in een voorhof. Een oude man loopt voorovergebogen door een donker steegje, met over zijn schouder een knapzak. Voor een raam glimmen de lichtjes van een menora. Binnen zit een man met een witte baard, hij draagt een taliet, hij bidt. Of hij leest in een groot opengeslagen boek. Naast hem een vrolijk gedekte tafel, met koosjere, en daarom niet minder appetijtelijke spijzen. Om de tafel kinderen, een Jiddisje memme draagt een dampende schotel aan. Feest! Een van de talloze Joodse feesten. De duisternis buiten is als een zware last die het bestaande terneerdrukt, het licht in dat kleine vertrek biedt weerstand. De lamp is nog niet opgebrand…
Verhalen
De oude man kijkt op van zijn boek, staat op, neemt plaats aan het hoofd van de tafel. Na een tafelgebed, en na een moment van stil genieten van al het lekkers, komt hij met een verhaal. Over zwervers en reizende muzikanten, over koningen en prinsen, over rabbijnen en wonderdoeners. Ja, hij had in de Bijbel gelezen, en in een commentaar van Rebbe Mosche ben Eleazar – of was het van Rabbi Naaman van Bratslav? En voor wie in de Bijbel leest wordt alles verhaal, is alles zwanger van verhalen. Omdat de verhalen die de Bijbel vertelt erom vragen om door ons te worden voortverteld, ze zijn niet uit. Zullen ze ooit uit zijn? Mogen ze ooit uit zijn? En hoe fantastischer hoe beter, omdat er één in voorkomt die ons blijft verrassen. Hoe herkennen we hem? Een wonderlijke gebeurtenis, een vreemd woord, een geste – wie hij is? Zijn naam mogen we niet noemen, want dan zouden we beslag op hem leggen, en dan is het afgelopen met het verrassende. Ja, hoe fantastischer hoe beter.
Herinnering
Wanneer we de schilderijen van Chagall contempleren, zijn we geneigd de picturale verwijzing naar de leefwereld van zijn jeugd – in en om Vitebsk – te dissociëren van de rest, van het vuurwerk van kleuren, gestalten, vormen en symbolen dat op ons afspringt. Alsof twee tegengestelde perioden in het leven van Chagall elkaar opvolgden, die van de donkere Russisch-noordelijke leegten, met hier en daar verspreid schuilhoekjes van gemeenschappelijk leven rond licht, en die van de wijdere wereld die voor Chagall na zijn jeugd openging: Parijs, New York, Israël, de Côte d’Azur… We doen daar verkeerd aan. Die jubelzang van kleuren, gestalten en symbolen die zoveel tableaus van Chagall kenmerken zijn niet de weergave van Chagalls ervaringen uit de tijd van zijn wereldburgerschap, van toen het succes hem overal in Europa, in Amerika, in Israël toelachte, van toen hij in het zonnige Zuiden vertoefde. Chagall is geen maker van toeristenaffiches. Nee, dat vuurwerk, die jubelzang, dat is Vitebsk. Dat zijn de verhalen die hij thuis, in de schtetl, hoorde vertellen, alle even fantastisch, alle even mooi en wonderlijk, en nooit ‘uit’. En dan worden koeien rood, of groen. Dan worden geiten blauw, dan worden hanen roze. Zwervers gaan zweven, echtparen gaan zweven, Jacob en Rachel, Marc en Bella, zij draagt een lange, lange bruidsjurk. Paarse en gele engelen zingen uit het Hooglied.
Onze mooiste herinnering, is de herinnering aan wat we droomden, wat we ons verbeeldden, wat daarmee zo’n diepe dimensie gaf aan de dingen. Dan vervloeien de tijden. Het verhaal dat in oude tijden begon, is niet ‘uit’, is nooit ‘uit’, wat komt ons nog toe? Toekomst…






