1

De oesters van Brouage

25 okt, 2025 Onderdeel van paysages

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

De Franse oesterteelt heeft moeilijke jaren achter de rug. Het had met weergesteldheden te maken en met ziektes. Het kwam voor dat, na voorafgaand onderzoek, het van overheidswege de oesterboeren werd verboden hun oesters op de markt te brengen. En als ze al in de grote supermarktenketens waren gearriveerd, tegen het einde van het najaar, dan was er plotseling een verbod op de verkoop. De kratten moesten uit de schappen weg. De zieke oesters (soms maar een op de duizend – ja, maar welke?) moesten terug naar de leverancier of domweg bij het vuil worden gezet. Een domper op het blije vooruitzicht van een even zo somptueus als klassiek kerstdiner! Nu schijnt het beter te gaan met wat de Fransen de ostréiculture noemen, en waar toch maar liefst zo’n achttienduizend mensen hun brood mee verdienen.  In de streekkranht van het Bretonse departement van de Morbihan stond kort geleden dat de oesterboeren vertrouwen hadden in de oogst van de komende winter. Wat voor de Morbihan geldt, zal ook wel gelden voor heel de Franse westkust, tot aan Arcachon toe. Een verheugend perspectief.

Brouage

Mijn vader vond niets zo fascinerend als verlaten steden, dorpen, kastelen, abdijen. Hij had eens wat gelezen over de verlaten citadel van Brouage, tijdens een vakantie in de Dordogne werd het de bestemming van een uitstapje en famille. Ik was twaalf jaar oud, maar ik herinner het me nog goed. Ze zullen er nu wel een of ander opgepoetst, gesteriliseerd en educatief ‘project’ van hebben gemaakt, toen was het nog echt leeg, vergeten, vervallen. Een citadel van Vauban, omwald, met bastions, wachttorentjes, een arsenaal, een poedermagazijn, de behuizing van de gouverneur… Veel ruimte, veel leegte – en leeg ook het vlakke land om het oude fort heen. Land van slikken en schorren, zoals bij ons. Ooit lag Brouage aan het ruime sop, dat was voordat de watermondingen verzandden en de oceaan zich terugtrok. Land van resten zout water, door bevaarbare geulen met elkaar verbonden, waar oesters worden geteeld. Die avond, in een restaurant in het nabije Saintes, at ik ze voor het eerst. Misschien was het er maar één – voorzichtig proeven. Vond ik de oester vies? Ik geloof het niet. Wat ik me in ieder geval herinner, is dat ik mezelf erg flink vond. Nu eet ik oesters met het grootste plezier, met een parelend wit wijntje erbij.

Brussel

Ja, gaat het net weer voor de wind met de oesterteelt of daar komt Brussel roet in het eten gooien. Met een regel – natuurlijk, een regel. Alle boten met een lengte van minder dan twaalf meter moeten voorzien zijn van een WC en een wastafel. Voor de hygiëne. De oesterboeren varen – vlak voor de kust, of op de waterwegen in het kustland – op kleine, platte boten, en ze varen per dag niet langer dan drie à vier uur. Dan kun je met je behoeften heus wel even wachten. Ze houden van hun vak, maar van hun oesters worden ze niet rijk. Om nu opeens hun schepen te gaan verbouwen omdat er zo nodig sanitairs in moeten, daar hebben ze de middelen niet voor. Of ze moeten zich nog dieper in de schulden steken dan ze al doen. Is het Brussel soms daarom te doen, mensen zoveel mogelijk afhankelijk maken van de banken? Door het uitvaardigen van regels die mensen op kosten jagen? Au! Nu gaat iemand mij van het verspreiden van complottheorieën beschuldigen. En ik heb liever niet dat mensen kwaad over mij denken. Dat vind ik naar. Laat ik daarom maar wat vriendelijker zijn, door te zeggen dat er in Brussel, bij de Europese instanties, ongelooflijke ezels rondlopen. Verschanst in hun steriele statistieken- en tabellencitadel houden ze zich verre van de werkelijkheid van vuile handen maken en stoer ambacht. En dat is dom. Soms denk ik: laat het Brussel – de Europese instanties althans – net zo vergaan als Brouage. Laat het er maar verzanden, laat al die bureaus maar leeg komen te staan, laat het leven zich er maar uit terugtrekken – want het is er al weg. Denk ik soms (maar eigenlijk steeds vaker)…