Duizend kamers
9 feb, 2026 Onderdeel van prosesColumn door Caspar Visser ’t Hooft
De file begon vijftien kilometers ten noorden van Limoges. Het was hartje winter. Om half zes ’s avonds is het dan al nacht. Aan weerszijden van de weg – de A20 – hadden verschillende nuances zwarte vlekken elkaar afgewisseld, bossen, hellingen, een gebouw, een schuur… Alleen de sneeuw gaf een schimmig licht af – wat je maar terloops merkte, gehinderd als je werd door koplampen van tegenliggers. En door de achterlichten van de auto voor me die plotseling op rood sprongen. Remmen! Dat wil zeggen voorzichtig remmen – derde versnelling, tweede, eerste – we staan stil… Ik kijk in mijn achteruitspiegeltje – ja, ook mijn achterligger. En ’t is bizar, die stilte. Of nee, er is nog steeds het doffe geluid van de tegenliggers op de andere rijbaan. Die rijden gewoon door, vol leedvermaak, haha! Waar ben ik? Aan mijn rechterhand, even verderop, een zwarte bosrand. Links, voorbij het tegemoetkomend verkeer, boven een rotsige verhoging in het land, een muur. Ik kan het einde ervan niet ontwaren, ook de bovenkant niet. Alleen de onderkant baadt in het schijnsel dat de autolampen afgeven. De muur is zo-te-zien oud, opgetrokken uit natuursteen. Een blinde muur? Nee, er is één raampje in uitgespaard, in de hoogte, daar waar het zwart het overneemt van het vale schijnsel. ’t Is dat erachter een lichtje brandt. Een lichtje als van een kaars, een lichtje dat beweegt, dansende schaduwen…
Binnen
Vijf minuten stilstaan op de weg is lang. Ze worden een eeuwigheid wanneer de verbeelding, die tijdens dat stilstaan door de aanblik van iets merkwaardig is geprikkeld, je bijblijft. Zodat ik er nu weer aan moet denken. Wat zou je zien, wanneer je daar, in de hoogte, door dat raam naar binnen kon kijken? Het venster blijkt op een kier te staan. Is dat de reden waarom het vlammetje van de kaars zo onrustig is – vanwege de tocht? De kamer is een eenvoudig vertrek met een vloer van rode plavuizen, een plafond met donkere balken en met witgekalkte wanden. Aan een van de wanden hangt een houten kruisje, als in een kloostercel. De kaars, in zijn koperen kaarsenhouder, staat op een houten tafel met ervoor een stoel met een zitvlak van gevlochten riet. Ander meubilair ontbreekt, het verbaast me daarom niet dat geen levende ziel te bekennen is. En toch – iets doet me vermoeden dat iemand hier heel kortgeleden nog was. Want het is alsof de leegte, opengescheurd en verwond door de aanwezigheid van een lichaam, na het verdwijnen ervan nog niet volledig is genezen. Een deur staat halfopen, erachter laat zich een donkere gang vermoeden.
Duizend kamers
Een lange gang, valig verlicht door een loshangende peer aan de muur. Links en rechts doemen dichte deuren van massief hout op. Aan het einde van de gang kun je naar links of naar rechts. Links weer een gang, uitlopend op een trappenhuis. Rechts, na een paar passen, een galerij boven een bibliotheek. Een haardvuur in een grote schouw verlicht er de rijen glimmend leren bandjes. In een fauteuil voor de haard zit een man met een witte baard, hij rookt een pijp en leest. Ik wil niet storen, keer terug op mijn schreden en doorloop de andere gang. Ik bestijg de trap, en kijk – weer twee gangen, met dichte deuren. Wat is dit voor gebouw? Een kasteel, een klooster, een hotel? Gangen volgen elkaar op, brede gangen met lopers op de vloer, en met aan de muren pruikenportretten en gobelintapijten, smalle gangen zonder lopers, met naakte wanden. Trappen naar boven, trapjes naar beneden. Hoeveel kamers heeft dit gebouw? Duizend? Ik snuif etensluchten op. Ik denk: daar worden heerlijke dingen klaargemaakt! En dan is dat weer weg. Ik hoor stemmen, achter deuren. En wat zo merkwaardig is, ’t is alsof ik ze herken. Wat natuurlijk niet kan – maar ze zijn zo vriendelijk en vertrouwd, die stemmen. “O, daar ben je!” – zegt me een mevrouw die ik op een brede overloop tegenkom. “Kom!” – zegt ze. Ik ken haar, ik ken haar niet. Om wat een lang verhaal zou kunnen worden kort te houden, ik neem deel aan een feestelijke maaltijd, weer een paar gangen en trappen verderop. Ik krijg een kamer toegewezen voor de nacht. Weer trap op, weer trap af. Ik val in slaap in de kuil van een hemelbed met een bloemetjessprei, ik word de volgende morgen wakker…
Een uitzicht!
Onder een blauwe hemel een wijds wit-groen winterpanorama dat zich vanaf de diepte beneden – een park met symmetrisch aangelegde berceaus, een kruidentuin, een boomgaard, een bevroren vijver – naar de brede kom van een landschap uitstrekt, waar hier en daar het water van een rivier, omgeven door kale populieren, zilverig opglinstert, met weiden, met bossen, met boerenhoeven, her en der verspreid, met een kudde schapen, een tractor, een rennend paard, kleine vlekjes… En naar de blauwige verte van een heuvelrand. Daarachter witte toppen. Bekend? Onbekend? Waar zijn we? De nacht daarop slaap ik in een andere kamer. Wanneer ik dan wakker word en de luiken opensla blijkt de zee niet ver te zijn. Een egaal blauw-grijze horizon, door de zon met goud overdekt, ligt als een dun zeil boven brede strook slibland met riet en smalle vaargeulen, waarop platte boten varen. Ach ja, waar is dat ook alweer? En omdat ik elke nacht in een andere kamer slaap, word ik elke ochtend met een nieuw uitzicht geconfronteerd, nieuw en niet nieuw, en altijd even – ja, verblijdend.
Geen idee
Wat altijd even nieuw blijft, zelfs na al die nachten, is het gebouw zelf waar ik als gast ben opgenomen. Nog steeds kan ik me niet de minste voorstelling maken van de plattegrond ervan. Alleen door de gangen dwalen wordt me afgeraden, de kans dat je verdwaalt is groot. En wanneer ik vraag hoe ik moet lopen om bij het kamertje te komen met de kaars op de tafel voor het raam – het raam waardoor ik naar binnen ben geklommen – zeggen ze me op vriendelijke toon – want ze zijn altijd vriendelijk: geen idee. Er is er maar één die het weet. Hij is het die elke avond dat kaarsje voor het raam neerzet. Waarom? Om heel af en toe gezien te worden, zoals hij gezien werd door jou. De mensen die het lichtje zien, die mensen horen hier. En waar kan ik die persoon die elke avond de kaars voor het raam neerzet vinden? Weer: geen idee. Ergens in het huis, maar waar?
Toen ik jaren later dezelfde weg nam, ditmaal in tegenovergestelde richting, werd ik bij het naderen van Limoges onrustig. Ik boog diep boven het stuur voorover telkens wanneer aan mijn rechterhand het land nogal steil omhoog glooide. Tevergeefs. De hoge muur met het ene raam, of ik had hem gemist, of hij was weg. Erg? Nee hoor, eens binnen, altijd binnen – als je het lichtje hebt gezien.






