Waar zit je?
24 jan, 2026 Onderdeel van plaisanteriesColumn door Caspar Visser ‘t Hooft
De stem van mijn grootvader, indringend, precies, netjes – een beetje draaien met de a’s, op z’n Leids. Hij had het over Leie…
“Waar zit je?”
Opa’s stem verraadt een vrolijke camaraderie. Zo buig je je stem wanneer je, Nederlander in het buitenland, opeens wordt verrast door een levensteken van oude bekende die zich ook in den vreemde heeft gewaagd. Ja, ik hoor het hem nog zeggen. Hij had een neef van ons aan de telefoon, die ergens in de bergen ‘zat’, en die hem een bezoekje wilde brengen.
Grensposten, wisselgeld, kaarten…
Het was wat? – veertig jaar geleden? Minstens… Op het reizen in het buitenland had in die tijd nog een laatste zweem van avontuur gelegen. Ja, aan de spannende kant van het reizen herinnerden de grensposten, waar in die tijd nog douanebeambten met petten naar je paspoort vroegen – en of je niets had aan te geven (goed verstoppen, die flessen alcohol!) Tussen Nederland en Zwitserland minstens twee, als je over Frankrijk reed drie – in plaats van de ene die nu is overgebleven. O felix Helvetia, jij die tenminste jezelf blijft! En dan was er nog het wisselen van geld, want je had beslist wat Belgische francs nodig voor een kopje koffie in de Ardennen, wat marken voor een lunch in een Raststätte aan de kant van de Duitse autobaan, Frans geld voor een overnachting in de buurt van Metz. En – wat een afzetters, die banken! En mocht je al over een creditcard beschikken, dan was het nog maar helemaal de vraag of die overal werd geaccepteerd. En, o ja! De kaart. De Michelinkaart. Van welk jaar is hij? Is hij niet verouderd? Want dan is er kans dat sommige recente verlengingen van snelwegen er nog niet opstaan… Wie had toen gedacht dat ooit de schooljuffenstem van een anonieme Jolanda of Anja ons vanuit een mobiele telefoon de weg zou gaan uitleggen?
Gestroomlijnd zich verplaatsen
Aan het reizen had de stroomlijn ontbroken die er nu niet meer dan een onverschillig zich verplaatsen van maakt. Wat kon je je toen toch heerlijk ergeren aan de per definitie hinderlijke landgenoten, die op het slechte idee waren gekomen bij het zelfde restaurant langs de weg te stoppen als waar jij aan een tafeltje zat: luidruchtig van de blijde opwinding, vrijpostig ook, en brutaal, en daarmee hun onwennigheid bezwerend, onzeker Frans of Duits brabbelend. Nu stappen ze met uitdrukkingloze gezichten uit hun vette airconditioned wagens, Je hoort ze dingen zeggen in een globish anglodutch – voor zover ze zich althans verwaardigen hun virtueel-internationaal wereldje te verlaten waarmee hen hun smartphone verbindt. Zoals die persoon daar, in de rij om benzine te betalen – zo’n vlot type in een loshangend streepjesoverhemd van Arrow boven een spijkerbroek met blond achterovergekamd haar: “Ik weet niet waar ik ben, ergens in Frankrijk… Ik weet het niet, in de verte zie ik wat heuvels… O, die is in Singapore aangekomen? Nog op de airport? Zeg hem dat hij mij after five belt – normaal gesproken ben ik dan in Verbier aangekomen…”.
Samenzwerende Bataven
« O, je zit in Champéry!? »
De blasé persoon bij de kassa zou Champéry op eenzelfde toon hebben uitgesproken als Innsbruck, Zwijndrecht, Buenos Aires, Bussum, Cincinatti, Frankfurt of St Raphaël. Opa niet. Hij woonde al meer dan vijftig jaar in het buitenland, in Genève, en toch: telkens wanneer een van zijn talloze Nederlandse vrienden, familieleden, kennissen, met vakantie in de Alpen van de gelegenheid gebruik maakte hem een bezoekje te komen brengen, dan lag er in de manier waarop hij hem of haar welkom heette nog altijd iets van een jongensachtig samenzweren. Bataven, gestrand in den vreemde.






