1

Een ontvoering

7 nov, 2018 Onderdeel van proses

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

In zijn ‘Geschiedenis van de eeuw van Lodewijk XIV’ (Le siècle de Louis XIV), maakt Voltaire terloops melding van een gebeurtenis die mij intrigeert en waar ik graag even bij stil sta. In het jaar 1707 zag het er voor de zonnekoning slecht uit. Tot het begin van de 18e eeuw had hij heel Europa overdonderd met zijn militaire successen en gebiedsuitbreidingen, in het jaar dat de Spaanse successieoorlog uitbrak scheen hij alle troeven in handen te hebben. Toen de hertog van Marlborough met zijn Engelse legers het continent betrad, om zich bij de geallieerden aan te sluiten (Oostenrijkers, Nederlanders), sloeg het tij om. In hem had een verouderde Franse koning een geduchte tegenstander ontmoet. Dankzij de inzet van de grote Engelse strateeg werden een voor een de Vlaamse steden waar Lodewijk beslag op had gelegd voor de Oostenrijkers terugveroverd, en na een beleg van vier maanden moest zelfs de stad Lille worden afgestaan. De weg naar Parijs lag nu open, en aan het hof, in Versailles, ontstond paniek. Of de geallieerde legers ooit van plan waren geweest tot Parijs op te rukken, is de vraag. Het is er in ieder geval niet van gekomen. Wel lees ik in Voltaire dat een ‘groep Hollanders’’ (un parti hollandais) zo vermetel was om vanuit Kortrijk tot Versailles door te stoten en daar ‘onder de vensters van het kasteel’ de opperstalmeester van de koning te ontvoeren, in de waan dat het om de ‘dauphin’ ging, dat wil zeggen de troonopvolger. Deze opperstalmeester was een zekere Jacques-Louis, markies van Beringhen. Ik denk: merkwaardig, die naam klinkt Nederlands.

Van Beringhen

De familie van Beringhen was afkomstig uit het oude Gelre. Ze behoorden tot de lagere adel. Rond 1550 kwam Pieter van Beringhen in aanraking met een aanzienlijke Franse edelman op wiens kasteel in Normandië hij zich in de hoedanigheid van wapenmaker kwam vestigen. Zijn vaardigheid in het hanteren van wapens baarde opzien, zijn reputatie drong zelfs door tot de koning. Deze koning – Hendrik IV – nam hem als kamerknecht in dienst. Hij werd al gauw zijn vertrouweling, waardoor hij betrokken raakte bij de talloze liefdesescapades van de bronstige Bourbon. Zijn discretie werd op prijs gesteld, en na verloop van enige tijd werd Pieter van Beringhen door een dankbare vorst tot controleur van ’s lands mijnen bevorderd. Een hoge post. Zijn toelage stelde hem in staat het kasteel van Armainvillers (bij Gretz) en de omliggende landerijen op te kopen. De koninklijke gunst spreidde zich ook over de kinderen van Pieter van Beringhen uit. Pieters oudste zoon werd op zijn beurt een gunsteling van de opvolger van Hendrik IV, Lodewijk XIII. En nu we toch bezig zijn, waarom de traditie niet voortzetten? Lodewijk IV nam Pieters kleinzoon, Jacques-Louis, in dienst. De Van Beringhens hadden intussen hun protestantse geloof, nog uit de Gelderse tijd, ingeruild voor dat van de oude moederkerk en waren tot markies verheven. Zou Jacques-Louis, de opperstalmeester, zijn Nederlandse oorsprong naar waarde hebben geschat? Hij hoefde niet ver terug te gaan, zijn grootvader was in Gennep geboren. Om maar te zeggen, de ontvoerde opperstalmeester was eigenlijk een Nederlander.

Een mooi gebaar

Ja, en de ontvoerders waren eigenlijk Fransen. Aan het hoofd van het troepje kapers stond een zekere Pierre de Guethem, afkomstig uit Tourcoing. En Tourcoing was een stad die de Fransen in 1668 in beslag hadden genomen. Met als gevolg dat de bewoners sindsdien Fransen waren. Voltaire had gelijk en ongelijk. Een Nederlander in dienst van de Franse koning, een troepje Fransen in dienst van de geallieerden. Het verhaal van de ontvoering is het vertellen waard. Het laat ons zien dat vroeger het oorlog-voeren nog met een ridderlijke zwier en elegantie gepaard kon gaan. In hedendaagse oorlogsfilms wordt alleen nog maar vulgair geschoten en geschreeuwd. Toen de kapers, onder leiding van de kolonel Pierre de Guethem, zich van de opperstalmeester Jacques-Louis, markies van Beringhen, meester hadden gemaakt, bleek hij vanwege zijn leeftijd niet in staat het paard te bestijgen dat ze voor hem hadden bestemd. Ze zijn toen in allerijl op zoek gegaan naar een postkoets, daar mocht hij in. Een postkoets schiet natuurlijk minder snel op dan een ruiter te paard, op de terugweg naar het Noorden werden de ontvoerders al gauw door de pages van de koning ingehaald en overmeesterd. De opperstalmeester werd bevrijd, Pierre de Guethem en zijn handlangers werden gevangen mee naar Versailles gevoerd. De vraag was: wat doen we met hen? De koning liet de beslissing aan Jacques-Louis van Beringhen over, hij mocht over het lot van zijn ontvoerders beslissen. Op een nogal theatrale wijze heeft de opperstalmeester zich van deze taak gekweten. Hij liet de twee vleugels van de deur die naar de salon van de koning leidden opengooien, en met Pierre de Guethem aan de hand trad hij binnen: “Sire, kolonel de Guethem heeft mij tijdens de ontvoering dusdanig hoffelijk bejegend dat ik hem van harte vergeef.” Enkele dagen later mocht Pierre de Guethem, te paard, naast de zoon en de kleinzoons van Lodewijk XIV een défilé van de koninklijke garde bijwonen.

Dat waren nog eens tijden!