De taal raakt los
3 feb, 2026 Onderdeel van penséesColumn door Caspar Visser ’t Hooft
Je hoeft maar wat door het weids-glooiende landschap van Frankrijk rond te toeren om te vast te stellen dat het boerenkleinbedrijf dat in de loop der eeuwen aan dit landschap zijn vorm heeft gegeven verdwijnt. Wie de schuld? De extreem-liberale globaliseringspolitiek die de nationale soevereiniteit ondermijnt en die de grenzen opengooit met het oog op de invoer van goedkope producten? Ja, boeren kunnen de concurrentie niet aan, redden het niet meer, en als ze zichzelf niet ophangen sluiten ze de tent en verdwijnen. Verdwijnen waarheen? In het dorp weten ze het niet zo goed – ’t wel zijn naar de stad… En het Franse platteland ontvolkt, en de voorsteden van Parijs, Lyon, Nantes breiden zich uit, net als in de landen van de derde wereld. Exode rural. O, de boerenhoeves staan er nog, verspreid in het landschap. Sommige worden opgekocht door stadsmensen: tweede huisjes – zo authentiek! De meeste vervallen. De stenen muurtjes die de weilanden demarqueerden verbrokkelen, de bomen in de boomgaard verwilderen. Wat zijn dat, die bollen in de takken? Dat is de maretak, een parasiet. De luiken hangen scheef, bramen rukken op, in de schuur – je kunt naar binnen kijken – roesten, verrotten, verpieteren werktuigen die eens werden gekoesterd. Zoals? – ach, hoe heten die dingen ook alweer? We weten het niet meer zo goed, de woorden die ze benoemen zijn in onbruik geraakt, zullen op den duur wel uit het woordenbestand van de computer worden verwijderd.
Oude woorden
Je komt die dingen ook tegen in eetgelegenheden van het rustieke genre. De suggestie wordt daarmee gewekt dat de spijzen die er worden opgediend vers van het land komen en volgens oud-Frans gebruik zijn bereid. Ja, daar hangen ze, aan de muur: hooivorken, harken, spades – en… allerhande houten gerei waarvan we niet meer weten waar het toe diende, en zelfs niet wat de termen zijn die erop duiden. Trouwens, waarom heet het restaurant waar we zitten een ‘relais’? Je hebt in Frankrijk auberges en relais – wat een auberge is, weten we: een herberg. Niet moeilijk te raden, de twee woorden lijken op elkaar. Maar een relais? Ik heb het opgezocht, ik zal het jullie vertellen, het is een uitspanning. Een plaats waar wordt uitgespannen. Wie of wat wordt uitgespannen? Paarden. Relais zijn te vinden langs de wegen waarover vroeger de postkoetsen reden. Om de zoveel mijlen moesten de paarden worden verwisseld. Ze werden ‘uitgespannen’ en vervangen (‘relayer’) door andere. In het hof van de uitspanning, de ‘relais’, kregen de vermoeide paarden haver en te drinken om na een gepaste rusttijd weer te worden aangespannen aan een volgende koets. Goed, we weten nu dat we aan tafel zitten in een oude pleisterplaats (nog zo’n oud woord), en we vragen ons of af hoelang hier aan de muur al die karrenwielen, vorken en spades nog zullen hangen. Komen we hier over een paar jaar terug – je zult het zien, dan is alles hier omgebouwd, alles klinisch wit, vol design-staal en met in een hoek een glanzende Boeddha. Op de grote ruitvormige borden die je worden aangereikt rusten, helemaal in het midden, minimalistische spijscomposities. Een pichet de vin du pays? Nee, daar doen we niet aan. Het is of een (peperdure) fles wijn, of een gezond selderiesapje.
Gezegdes
En dan zijn er de gezegdes die uit de tijd stammen dat het boerenbedrijf nog voor iedereen dichtbij was. Overblijfsels? De ossen achter de ploeg spannen, anders gezegd averechts te werk gaan. De Fransen kennen dat gezegde ook: Mettre la charrue avant les bœufs.Iemand in het gareel houden. Het gareel was het halsjuk van een trekdier. Te veel hooi op je vork nemen. Het kaf van het koren scheiden. Enzovoort, enzovoort. Ja, nog weten we wat deze gezegdes betekenen, maar hoelang nog? Als de werkelijkheid is verdwenen waarnaar woorden verwijzen, dan zullen de gezegdes waar ze in voorkomen even zo geleidelijk als onvermijdelijk in onbruik raken. Hetzelfde geldt overigens voor uitdrukkingen ontleend aan de scheepvaart en het zeemansleven. Jammer? Ja, jammer – want wat ervoor in de plaats komt belooft weinig goeds.
De taal gaat zweven
Het is me allang opgevallen hoezeer in het algemeen woordgebruik abstracte formuleringen gewone huis-tuin-en-keuken woorden verdringen. Laatst vertelde me iemand die een appartement wilde kopen dat hij de makelaar maar niet begreep die het over een ‘programma’ (un programme) had. ‘Ik heb een interessant programma voor u’. ‘Een programma? Ik ben op zoek naar een flat – met muren, deuren, ramen, een vloer, een plafond, een balkon’. Of mijn ouders: ‘Wat is dat toch voor lelijk woord, dat je tegenwoordig op haast alle vrachtwagens ziet staan: logistics. Zijn dat spullen? – spullen voor de computer, toetsenborden, harde en zachte schijven, muizen?’ Oppassen met abstracte termen! – ze worden in het gebruik zo vaak zweverig. Omdat ze niet strak zijn gebonden aan de tastbare werkelijkheid wordt de betekenis ervan zo gauw fluïde. De invloed van de informatica is onmiskenbaar, evenals die van de technocratisering van de politiek, en die van de nieuwe deugdzaamheid met zijn idiote neologismen. Wanneer woorden niet zijn gegrond, verankerd in het stoffelijke, raken ze los. Propagandisten, stemmingmakers, politici gaan ermee aan de haal. Communicatie heet dat. Manipulatie is het. En de taal verloedert. En wanneer abstracties het overnemen van gewone huis-tuin-en-keuken woorden, verdwijnt ook de poëzie. Metaforen vragen om woorden die op concrete dingen duiden, aan zweverige abstracties hebben ze niets.
Nu ja, een en ander om te zeggen dat wanneer het eeuwenoude boerenkleinbedrijf verdwijnt – weilanden met koeien, stallen met paarden, plassen met eenden, erven met kippen, boomgaarden, moestuinen, schuren, hooibergen – ook de taal verschraalt. Omdat het los raakt van een belangrijk stuk werkelijkheid – ja, van het aardse.






