Et sic transit…
8 dec, 2025 Onderdeel van prosesColumn door Caspar Visser ’t Hooft
Dwars door de stad Nice loopt een vierbaans autoweg, de ‘voie rapide’. Als deze weg er niet was, zou iemand die zich van West- naar Oost-Nice wilde verplaatsen hetzij in een wirwar van drukke straten met stoplichten moeten duiken, hetzij – met een wijde boog boven de stad langs – de snelweg moeten pakken. En dat is qua tijd gezien dubbel zo lang. Nee, geef mij maar de voie rapide. Mijn vaste traject is afslag Nice Ouest/Caucade – afslag Nice Nord. Niet dat je dan het mooiste uitzicht hebt, je rijdt langs veel nieuwbouw uit de jaren zestig. Maar hier en daar heb je nog resten van oude suikertaart-villa’s omringd door palmen. Zoals de ‘villa Leliwa de Rohozinski’, een nepkasteel met torens en transen uit de Belle Epoque. O, er zijn veel meer van dit soort fantasiepaleizen te vinden in Nice, vooral in de wijk Cimiez, en op de kaap van de Mont Boron. Maar goed, daar rijd ik niet haast elke dag langs. Over die ‘villa Rohozinski’ wil ik het daarom hebben. In 1895 heeft een Poolse graaf hem laten bouwen, graaf Michal Leliwa Rohozinski. Een magnaat. In het Mittel- en Oost-Europa van zijn tijd was het land verdeeld onder magnaten, ze bezaten duizenden hectaren grond, ze resideerden in immense neoclassicistische landhuizen, en ze overwinterden aan de Côte d’Azur. Wat hebben ze sindsdien veel verloren!
Graaf Rohozinski
De zoon van de bouwheer heette Ladislas. Hij was componist en muziekcriticus. Deze informatie wordt me door Internet verschaft. Ladislas leefde van 1886 tot 1938. Hij schreef melodieën voor de piano, zijn muziek werd in bekende Parijse concertzalen opgevoerd: geraffineerd tingel-tingel voor bleke, fijngevoelige, wat levensvermoeide mensen, het soort muziek waar Proust mee dweepte (la petite phrase de Vinteuil). Waar zijn de klanken gebleven – in onze wereld van lawaaiige plebsmuzak? Zijn jeugd bracht Ladislas door op een groot buitengoed in het huidige Ukraine, Cziboulow. Een oude foto toont een langgerekte witgepleisterde façade met een zuilenportiek. De foto is genomen vanuit het dorp, beneden – voor zover je een rommelig geheel van primitieve huizen met puntige strodaken op een modderige bodem een dorp kunt noemen. Een andere foto laat het interieur zien. Een salon met glimmend parket, spiegels, palmen in potten onder sierlijk stucwerk en vorstelijke lusters. Tijdens de Russische Revolutie werd het domein onteigend. Wat er met het landhuis is gebeurd, is me niet bekend. In brand gestoken, zoals zoveel adellijke buitenhuizen, soms met de bewoners erbij? De familie Rohozinski is blijkbaar aan de furie van de Bolsjewieken ontkomen. Ze zaten veilig in Nice, in hun villa – die ze op den duur niet meer konden handhaven omdat de revolutionairen hun de middelen van bestaan hadden ontnomen – et sic transit gloria mundi. Ladislas moest het nu hebben van zijn innerlijke rijkdom, en die had hij, die gaf hem de muze.
Graaf Slizien
Met een andere magnaat liep het minder goed af. Over hem schreef Philippe Labro in zijn autobiografische roman Ma mère, cette inconnue. Labro is in Frankrijk een bekende naam. Voor zijn romans ontving Philippe Labro prijzen. Ook maakte hij films met in de hoofdrollen bekende acteurs (Catherine Deneuve, Belmondo, Gérard Depardieu…) en was hij regelmatig te zien op de televisie. Hij stierf afgelopen zomer op achtentachtigjarige leeftijd. In Ma mère, cette inconnue schrijft hij het verhaal van zijn moeder: hoe zij lange tijd niet had geweten wie haar vader was. Zij en haar broer waren op vroege leeftijd ondergebracht bij een pensionhoudster in Versailles, die ze sindsdien als hun moeder waren gaan beschouwen. Haar echte moeder zag Henriëtte (Netka) slechts zo nu en dan, maar wie haar vader was…? Op een zekere dag kwam ze erachter dat haar moeder ooit kindermeisje was geweest op een uitgestrekt domein in het huidige Belarus en dat de landheer, graaf Henryk Slizien, toen een verhouding met haar had. Twee kinderen waren uit de liaison voorgekomen, de moeder van Philippe Labro en een zoon. Maar deze ontdekking hield ze voor zich, en het was pas kort voor haar overlijden dat ze haar kinderen, onder wie Philippe, het geheim verklapte: jullie grootvader was een Poolse magnaat. Netka overleed in een verzorgingshuis in Nice, op de chique Mont Boron. Haar vader was toen al sinds zestig jaar dood, de Bolsjewieken hadden hem in 1920, samen met zijn zuster Zsofia, in het park van hun gigantische suikertaartenkasteel in Dziewiontkowicze levend begraven.
De pseudo-gravin
Tijdens en na de revolutie kwamen veel aristocraten uit Mittel-en Oost-Europa zich voorgoed in Nice vestigen. Emigrés. Russen natuurlijk, maar ook Klein-Russen (Oekraïners), Wit-Russen (Belarussen), Litouwers, Polen – in die landstreken waren vanouds de grenzen beweeglijk, de magnaten bezaten vaak in meerdere provincies grond, en de roden hielden er overal huis. De moeder van Romain Gary (eigenlijk Roman Kacew) was een Russische actrice van Joodse afkomst. Toen ze door haar man in de steek werd gelaten, begon ze een hoedenwinkel in Vilnius (of Vilno), in Litouwen. In 1928 besloot ze het donkere Noorden te verlaten en een nieuw bestaan op te bouwen in zuidelijker contreien – wo die Zitronen blühen. En zo belandden zij en haar veertienjarige zoon Roman in Nice. Hun spaarpotje raakte gauw op, en voor Mina Kacew, geboren Owczynska zat er niets anders op dan de weinige souvenirs die ze uit Litouwen had meegenomen van de hand te doen. Het waren prullen, maar ze hield bij hoog en laag vol dat ze veel waarde hadden. Om handelaars daarvan te overtuigen liet ze zich doorgaan voor Russische gravin. De objecten zouden afkomstig zijn uit het grafelijke kasteel van haar voorgeslacht, ze had ze op het nippertje aan de vernietigingsdrift van de Bolsjewieken ontrukt. Haar verlakkerij wierp vruchten af. In Nice zagen veel Russische aristocraten zich genoodzaakt van meegenomen erfstukken afstand te doen – een kwestie van overleven – en bij die erfstukken zat veel kostbaars. Een goedgelovige sjacheraar was daarom makkelijk om de tuin te leiden. Romain Gary zou een van Frankrijks meest gelezen auteurs worden (Promesse de l’aube, La vie devant soi, Les racines du ciel…), tweemaal winnaar van de prestigieuze Prix Goncourt. Zijn moeder werd pensionhoudster. Het huis staat er nog steeds, 7 boulevard François Grosso.
Ik rijd er af en toe langs, wanneer ik een keer de voie rapide oversla en een duik maak in de wirwar van straten van Nice.






