1

De Messias komt de dag erna…

23 dec, 2025 Onderdeel van pensées

Column door Caspar Visser ’t Hooft

Deze uitspraak is van Walter Benjamin. Hoe ik eraan kom? Ik geloof iemand de filosoof citeerde. Ja, want van Walter Benjamin zelf heb ik nooit wat gelezen. Of toch – ik ben eens in een essay van hem begonnen, ik begreep er niets van. Begrijp ik dan wel wat hij bedoelde met ‘de Messias komt de dag erna’? Ik weet het niet. Wat ik weet, is dat de zin me nooit heeft losgelaten en dat ik hem met een bijzondere ervaring verbind: die van het genoegen dat een nacht in een hotel vlak na Kerst verschaft. In de nacht van vierentwintig december wordt de komst van de Messias gevierd. Een etmaal verder, en het is de dag na zijn komst. Ja, en dan komt hij.

Brioude

Kerstmis is voor mij een drukke tijd. Kerstavond, Kerstmorgen – pas op de vijfentwintigste, vroeg in de middag, ben ik eindelijk vrijaf. Meerdere malen kwam het voor dat ik dan onverwijld de auto pakte en wegreed, met hond en bagage achterin, naar mijn vakantiebestemming. Hoeveel jaren was het geleden? Die nacht in dat hotel in Brioude? In december vallen de avonden vroeg, ik had al langer dan een uur door het duister gereden. De ruitenwissers gingen loom op en neer. Er was sneeuw voorspeld, maar dat was pas vanaf zes-zevenhonderd meter hoogte, en hoewel het Massif Central naderde – je voelde het, rook het – bleek het in het oord Brioude alleen maar wat te miezeren. De druppels waren wat zwaarder geworden, dat wél – maar nog net geen vlokken… Het stadje deed doods aan, alle winkels dicht, nauwelijks mensen op straat. De lichtjes van de slingers boven de straten dachten: waar doen we het voor? Aan mijn linkerhand doemt een donkere massa op, een zijschip van de basiliek, naar verluidt een van de mooiste romaanse kerken van het land. Aan de andere kant van het stadje, even erbuiten, tref ik eindelijk een hotel aan dat eruitziet alsof het open is. Ik zie me zitten aan een tafel, ik ben de enige in de zaal. Op de bar prijkt een plastic kerstboompje met kleurenlichtjes die elkaar achtervolgen. In de keuken hoor ik mensen borden wassen en ginnegappen. De kerstmaaltijd van tussen-de-middag, legt de ober uit. We hadden een volle zaal. Hier en daar zijn er nog sporen van te zien: lege flessen op de toom, verfommelde versiering in een prullenbak. Zijn het restjes die ik voorgeschoteld krijg? Hoe dan ook, ik geniet van het eten, met een ‘demi rouge’ erbij en met mijn hond die ik dingen onder de tafel toestop. Ik slaap heerlijk.

Dole

In de tijd dat ik in Versailles woonde was een vaste stop op weg naar de bergen het stadje Dole in het departement van de Doubs. De eerste keer was ik op zoek naar een Campanile-hotel, want in Campaniles kun je ook eten. Aangekomen bij de industriezone van Dole, de ZAC, waar de ketenhotels zich in de regel laten vinden, raakte ik door de talloze verkeersrotondes, de een soms vlak na de ander, volkomen in de war. Het bordje Campanile was er opeens niet meer. Gemist? Ik kwam uiteindelijk terecht bij een IBIS. Dan maar een IBIS. Alleen hebben de IBISSEN geen restaurant. Na mijn bagage in mijn kamer te hebben gedeponeerd – ik was weer zowat de enige in het hotel – moest ik daarom terug naar de binnenstad. Kijken of ik ergens een eetgelegenheid kon vinden. Alles bleek even dicht. Even leeg ook. Hier en daar waren luiken nog open, je keek bij mensen naar binnen: een kerstboom, een flikkerend televisiescherm, een tafel met daarop verfommeld cadeaupapier, een persoon… Ik moest het hebben van een Arabier. Alleen zijn winkeltje was open. Ik kocht een zak met chips, een bolletje brood, een worstje ingepakt in plastic, een appel en een flesje wijn met een draaidop. De Arabier knikte me vriendelijk toe, zijn glimlach was een welkome bonus. Een verpeste avond? Nee hoor. O nee! Ze waren nog een eind weg, de heuvels van de Jura, voorlopers van de hoge bergen, maar de lucht van de dennenbossen snoof je al op. Geur van belofte…

Melun

Ditmaal weet ik niet meer precies waar het was, en ook niet meer wat de route was. Ik geloof dat ik op weg was naar Nederland. Ik geloof ook dat het ergens in de wijde omgeving van Parijs was. Zou het Melun zijn geweest? Of anders Meaux? Typische forenzensteden, op zo’n zestig kilometers afstand van de metropool. Weer een donkere avond, vierentwintig uur na kerstavond, een paar uren na het déjeuner van de eerste kerstdag. Ik wandel met mijn hond over het parkeerterrein van een grote supermarkt, een Leclerc of was het een Auchan, of een Géant Casino? Frankrijk is een groot land, je hebt er nog veel ruimte. Waar in dichtbevolkte landen zoals Nederland de ruimtelijke ordening in de puntjes wordt geregeld en toegepast, en niet in de laatste plaats om de laatste restjes natuur te beschermen, wordt in Frankrijk eenzelfde zorgvuldigheid als minder urgent gezien. Commerciële zones worden lukraak, en je zou bijna zeggen kant-en-klaar, op het open land neer geplet. Er is dan geen geleidelijke overgang van beton en asfalt naar de omringende natuur. Ik vind dat niet erg. Gezeur, zo’n geleidelijk overgang! Het heeft iets hypocriets. Nee, ik loop over een immense parking, met om de tien meter een lantaarnpaal. Oranjeachtig licht. Hier en daar een enkele, eenzame auto (wat doet die hier, terwijl alles dicht is?). Verderop, boven de gigantische superkeet zweven de verlichte letters, in blauw, van E. LECLERC. Maar links van mij, ik weet het, daar begint het platteland. Want daar is alles zwart. Weer ruik ik bossen. Hoor ik een dier, ergens in diepte? Een hond die blaft? Hij bewaakt een eenzame boerenhoeve. Een verre echo… Een andere hond. Hij hoort bij een herberg, gelegen aan de oude postweg naar St Ménéhould in de donkere Argonnen, en Metz. De schelle toon van een posthoorn, hoefgetrappel, een koets met daarin een hertog en een hertogin. Ruiters met fakkels begeleiden het vierspan. Nee…, stilte – geritsel? Een heilige monnik met een staf begeeft zich te voet naar zijn abdij, nadat hij in de hut van een arme stroper een oud vrouwtje op haar sterfbed heeft bijgestaan, of anders op wondere wijze een zieke heeft genezen. Hoor ik in de verte het luiden van vespers? Tingel-tingel… Een zachte, nattige windvlaag blaast het getingel weer weg. En ditmaal zegt mijn eigen hond woef – en sta ik weer met beide benen op het asfalt.

Messias

Zo’n avond – de dag erna… Het feest is voorbij, de mensen zitten loom wat na te leuteren, verzadigd, vermoeid. Eerste symptomen van een terugslag, een kater, zijn merkbaar… Voor de rest stilte, leegte, duister – ja, en dan komt hij. Waar? Waar laat hij zich vinden? Hier? Daar? De werkelijkheid wordt zwanger van geheim, verbeelding, herinnering, verwachting. Hij komt de dag erna – en zegt ook dan: Ik ben de komende. Blijf waakzaam. Alles kan teken zijn.